
Meneer Pelsteel Van Annet Schaap 1/2
Meneer Pelsteel is een herschreven sprookje met een verrassend einde. Het is met humor geschreven en geïllustreerd door Annet Schaap. In haar verhalen worden traditionele en stereotiepe genderrollen meer dan eens omgekeerd. Dit is één van de 7 sprookjes uit De Meisjes. Ze zijn voor alle leeftijden, waarbij de subtiele humor vooral door volwassenen zal worden opgepikt! Dit is deel 1 van 2 ingesproken delen. Veel luisterplezier!
Transcript
Hallo,
Mijn naam is Rianne Schoenmakers en ik wil een slaapverhaaltje voorlezen.
Dit is uit het boekje De Meisjes van Annette Schaap en zij heeft een soort van oude sprookjes herschreven.
En mocht je het nou niet helemaal volgen omdat je in slaap valt,
Dan zet je hem gewoon opnieuw op of je spoelt een stukje terug als het kan.
Dit verhaaltje heet Meneer Pijlsteel.
Goud.
Het meisje zit te spinnen in de zon in de achterkamer.
Het is middag,
Het licht is zacht en alles is goed.
De aardappels zijn geschild,
De soep staat al uren op en haar moeder ligt al zo lang in haar graf dat het gewoon geworden is en bijna niet meer erg.
In de meelkamer fluit haar vader.
De wind brengt de geur van gemaaid gras in de zon,
Van warm stro.
Er komt een prins,
Denkt ze,
Zoals ze dat heel vaak denkt.
Een prins van ver die me komt halen,
Zijn paard zo wit als een gebit en ik mag achterop.
Zo rijden we dan in galop,
Zijn armen warm,
Zijn haren lang,
Als stro zo geel,
Zo goud en dan laat hij me nooit meer los,
De man van wie ik houd.
Er rijden maar zelden mannen over het pad langs het molenhuis,
Alleen haar vader soms als hij een levering moet doen.
De molen staat aan het eind van alles af,
Maar een meisje kan altijd dromen en deze middag lijkt haar droom echter dan de zomerdag.
Alles ruikt zo naar liefde en stro dat ze de paardenhoeve al bijna kan horen.
Ze tuit haar mond vast een beetje voor het moment dat ze het nodig zal hebben.
Een meisje kan maar beter voorbereid zijn tenslotte.
De middag is zo zacht dat ze haar handen er eenvoudig doorheen kan steken naar wat erachter ligt en voor ze het weet,
Spint ze haar gedachte uit tot een gouden draad.
Haar droom heeft altijd ook een deel 2,
Het aanzoek en een deel 3,
Verloofd.
Als ze de tijd heeft kan ze nog heel veel verder uitspinnen.
De koninklijke bruiloft,
De witte broodsweken en dan lang en gelukkig.
De draad wordt langer en langer.
Hij glinstert in de zon.
Vlak voor de huwelijksnacht is het tijd om de aardappels op te zetten.
Ze wint de draad om een klosje en staat op om het fornuis aan te steken.
Heb jij dat gemaakt?
Echt?
De molenaar kijkt naar zijn dochter alsof hij haar voor het eerst ziet.
Zij?
Die dromerige slomen dochter van hem?
Die altijd alles vergeet en nooit eens iets interessants te vertellen heeft?
Die maakt opeens dit.
Gesponnen,
Zei je?
Hoe dan?
Ze mompelt iets vaags.
Een helder verhaal met een begin,
Midden en eind krijgt hij zelden van haar.
Hij wrijft met een dikke vinger over het draad.
Fijn spul.
Prachtig werk,
Zou hij kunnen zeggen.
Of ongelooflijk knap.
Maar zo'n vader is hij niet.
Hij wijst haar liever op wat ze verkeerd doet en wat nog beter moet.
Ze zou maar naast haar schoenen gaan lopen.
De aardappels hadden gaarder gekund,
Zegt hij,
Terwijl hij er twee tegelijk fijnkoudt.
Ja,
Vader,
Knikt ze en eet door,
Als een brave dochter die zich niks in haar hoofd haalt.
Het klosje steekt hij in zijn zak.
Daar vergeet hij het een tijdje en denkt er pas weer aan als hij zijn wekelijkse levering doet aan het koninklijk paleis.
Een lange opperlakij staat te kijken bij de zakken.
Een frons in zijn voorhoofd.
Oh ja,
Denkt de molenaar,
De vorige keer had er een worm in het meel gezeten.
Een wormpje op een hele zak,
Wat is dat nou helemaal?
Je proeft er niks van,
Weet hij uit ervaring.
Maar wie moet er boeten?
Zoals altijd,
Precies,
Hij.
Eén kans krijg je nog,
Heeft de roodgejaste slengel gezegd,
En anders zoeken we een andere molen.
Dat was je toch niet vergeten?
Natuurlijk is het niet vergeten.
Alleen heeft hij deze week helemaal geen tijd gehad om een maalgang in te zetten.
Dus het meel van deze week is min of meer het meel van vorige week.
Wat hij had kunnen zeven,
Natuurlijk.
Waar hij aan had moeten denken,
Natuurlijk.
Maar ja.
De lakij haalt een gouden zeefje tevoorschijn,
Met erg kleine gaatjes.
En kleiner zullen de wormen wel niet geworden zijn,
Na een hele week meelfreten.
Denk na,
Zweet de molenaar,
Wees slim,
Verzin een plan.
Hij probeert er wat zelfverzekerder bij te staan en steekt zijn handen in zijn zakken.
Daar vinden zijn vingers het klosje.
Trouwens Piet,
Begint hij langzaam,
Pierre verbetert de lakij.
Nu ik je toch zie,
Pierre,
Ik heb misschien iets.
.
.
De lange lakij doet alsof de molenaar niks gezegd heeft en peutert verder aan het touw van de zak.
Iets buitengewoons.
Onder zijn hemd voelt de molenaar zijn oksels plakken.
Een hele mooie buitenkans.
Ik heb namelijk.
.
.
Hij kan net zo goed niet praten.
De lakij houdt het zeefje al vlak boven de wormenpoel,
Die de zak waarschijnlijk geworden is.
1,
2,
3,
Is hij binnen.
En 4,
5,
6,
Is deze jongen zijn baantje kwijt.
Goud,
Brengt de molenaar uit.
Goud heb ik voor je.
De hand met het zeefje houdt stil.
Goud?
Ja,
Ja,
De molenaar knikt zijn hoofd er bijna af.
Echt goud en veel.
En dat moet ik geloven?
Ja,
Hier,
Ik bewijs het.
Kijk.
Trillend haalt hij het klosje tevoorschijn.
Wat geeft hij eigenlijk?
Van de week leek het wel goud,
Maar echt goud,
Dat zal toch niet?
Dat kan ze toch niet zomaar spinnen,
Die dochter van hem?
Niemand kan dat.
Met samengeknepe ogen kijkt de lakij naar het draad.
Wikkelt een stukje af,
Ruikt er even aan.
En er is meer,
Zegt de molenaar snel.
Voor jou,
Voor je baas,
Zoveel als je wil.
Heb je een goudmijn gevonden op dat dorre veldje van je?
De lakij kijkt schamperder dan schamper.
Maar de hand met het zeefje gaat terug in zijn binnenzak.
Geen mijn,
Een mijn,
Mijn,
Wat Basel je man.
Mijn kind,
Mijn dochter,
Die heeft dit gemaakt.
Je dochter?
Mijn prachtige lievelingsdochter.
De molenaar zucht.
Wat houdt hij opeens van haar?
Voor de twintigste keer kijkt de koning naar het kleine klosje in zijn hand.
Hij knijpt zijn ogen samen.
Zou het,
Denkt hij,
Zou het echt goud zijn?
Het zou zo ontzettend helpen.
Een koninkrijk kan maar tot een zekere pijl worden leeggeplukt.
En de mooie,
Rijk beveerde pauw die zijn land ooit was,
Is nu zo kaal als een kikker.
Belastingen,
Verordeningen,
Boetes op bijna alles.
Wat kan een vorst nog meer doen?
Lenen,
Ja,
En dat heeft hij gedaan.
Veel meer dan verstandig was.
Het gedeelte van zijn schuldeisers raakt langzaam op.
En zichzelf iets ontzeggen van de dingen waar hij zo omgeeft,
Zijn kleren,
Zijn voorgerechtjes,
Zijn bijgerechtjes,
De inrichting van zijn paleis,
Kortom zijn hele levensstijl,
Dat zou veel te ver gaan.
Toch?
Dat heeft hij echt allemaal verdiend,
Met de vorst te zijn die hij is.
En die vorst is nu eenmaal gewend aan zijn karderoben,
Zijn diners met vele gangen en vooral aan wat er allemaal over hem zegt.
Hoe goed hij het heeft gedaan in het leven.
Dus elke kans op een aanvulling van de schatkist,
Hoe klein en onwaarschijnlijk ook,
Zal hij niet laten lopen.
Hij kijkt voor de 21ste keer naar het klosje dat de lakij hem gebracht heeft en knikt.
De paard,
Sire?
De paard,
Pierre?
Stro.
Het is een heel andere middag.
Het lijkt al wel herfst.
Het mizert en de wolken liggen laag.
Het meisje zit in dezelfde stoel,
Maar het dromen wil niet zo lukken vandaag.
Haar vader doet raar,
Ze weet niet waarom.
Hij komt de hele tijd binnen,
Kijkt even naar haar en gaat dan weer op een bankje buiten zitten.
Als ze opstaat en naar de achterdeur loopt,
Rent hij haar na.
Waar ga je naartoe?
Nergens.
Waar zou ze naartoe gaan?
Rustig blijven zitten,
Zegt haar vader.
Nergens heen gaan.
Maar de kippen moeten voer.
De kippen,
Wachten maar even.
Zitten blijven.
Ga maar wat spinnen of zo.
De vol is op,
Zegt ze,
Al heel lang.
Waar had je dan de vorige week dat draad mee gesponnen?
O,
Zomaar wat,
Met een plukje stro.
Stro,
Juist,
Knikt haar vader en kijkt voor de zoveelste keer uit het raam.
Het meisje wil niet zijn,
Maar ze had het zich toch wel heel anders voorgesteld.
Eventjes had het allemaal precies goed geleken.
Ze was verbaasd geweest toen al die mannen het kleine kamertje binnenkwamen.
Met mantels en bondkragen en soldaten met helmen en lange lansen,
Maar eigenlijk ook niet.
Ze wist toch dat dit op een dag zou gebeuren.
Wel had ze altijd bedacht dat het buiten zou zijn.
Dat hij om de een of andere reden verkleed zou gaan als eenvoudige jongen,
Een herdersknaap of zo.
Maar dat ze hem dan toch zou herkennen,
Aan zijn prachtige blauwe ogen,
Zijn nobele trekken en de autoriteit waarmee hij tot de schapen sprak.
En dat ze hem meteen al van elkaar zouden houden,
Nog voor hij zich bekendmaakte als de koning.
Vergezel mij naar mijn paleis,
Wil je?
Zou hij zeggen.
En de blik in zijn ogen was zo lief,
Hoe kon ze weigeren?
Dat dit de koning was,
Zag ze meteen aan zijn hermelijn en zijn kroon,
Niet zo erg aan de rest.
Hij werd al wat kaal en zijn gebit was maar tamelijk wit.
Hij stak zijn hand naar haar uit,
Zoals ze altijd dacht dat hij zou doen.
Maar niet om de haren te pakken of om haar een ring te geven.
Eerder alsof hij zelf iets wilde hebben.
Meer goudraad?
Nee,
Dat had ze niet.
Maar ze maakt zo meer hoor,
Riep haar vader uit het keukentje.
In de kamer was geen plek meer voor hem.
Is dat zo,
Meisje?
Eindelijk keek de koning haar recht aan.
Zijn ogen waren wel precies goed,
Helderblauw als een meer.
Heb jij dit gemaakt?
Gesponnen,
Zei ze hees.
Haar stem deed niet goed mee.
Goed dan,
Sprak de koning.
Breng haar mee naar het paleis.
Hij haalde een zakdoek uit zijn mouw en verborg zijn gezicht erin.
Van ontroering,
Hoopte ze.
Maar hij keek eerder alsof je het een beetje vond stinken hier.
En wat is nou de afspraak,
Riep haar vader uit de keuken.
Mond dicht,
Molenaar,
Snoude de oppelakij.
Eerst zien,
Dan geloven.
En dan betalen natuurlijk,
Hoorden ze haar vader zeggen.
Tijd om afscheid te nemen,
Kreeg ze niet.
Het paard van de koning was wit,
Dat wel.
Maar ze moest achterop,
Bij een soldaat.
De andere nam haar spinnenwiel mee.
Haar hoofd deed vreselijk zijn best om het allemaal mooi en romantisch aan elkaar te lijmen.
Dat lukte maar een beetje.
Maar wat had ze zich dan voorgesteld?
Een eigen kamer met prachtig uitzicht,
Het bed van de koning.
Ze hoefde echt niet veel.
Een klein kamertje achteraf in het paleis,
Waar ze mocht blijven tot de verloving bekendgemaakt zou worden.
Op meer had ze echt niet gerekend.
Maar dit.
De kelder is vochtig en laag.
Gewelvers trekken zich naar alle kanten uit in het donker,
Tot waar ze ze niet meer kan zien.
Maar horen wel.
Want als de lakij de deur op slot draait,
Wordt het knarsen naar alle kanten tussen de pilaren heen en weer geëchoot.
Verder en verder en verder.
Bibberig aait ze even over het spinnenwiel.
Dat is tenminste iets van thuis en troost haar een beetje.
Ze was geschrokken toen ze had begrepen wat de bedoeling was.
Meer goud spinnen?
Hier nu?
Dat kan ik niet.
De koning hield het kleine klosje vlak voor haar gezicht.
Blauw als twee meren keken zijn ogen haar aan.
Dit heb jij toch gemaakt?
Ze knikte.
Nou,
Dan kun je het dus wel.
Ze haalde haar schouders op.
Toen ja,
Daar,
Op die middag.
Wat is het verschil?
Het is je eigen spinnenwiel en stro is stro.
Of was het speciaalstro?
Ze schudde haar hoofd.
Goed dan.
Doe je best.
Ik zie je morgenochtend.
Maar ze keek van het spinnenwiel en de twee grote balen stro naar de koning,
Die zich al half had omgedraaid.
Waarom?
Toen snapte ze het opeens.
Hij stelde haar op de proef natuurlijk,
Om te zien of haar liefdewelstand vastig was.
Ze knikte.
U kunt op maar regenen sieren,
Zei ze ferm.
Maar hij was de deur al uit.
We zijn natuurlijk nog maar in deel 1,
De ontmoeting.
En dit is deel 1a,
De beproeving.
Deel 2,
Het aanzoek.
Dat komt morgen pas.
Als ik dit allemaal doe,
Als ik heb laten zien wat ik waard ben.
Morgenochtend.
Is het al ochtend?
De kelder lijkt nog even donker.
Maar er moeten al uren voorbij zijn.
Ze heeft het echt geprobeerd.
Haar vingers zijn stuk gegaan van het proberen.
Maar stro blijft stro.
Om haar heen liggen verfrommelde plukjes stro,
Plakkerige propjes stro en een paar stukjes stro-achtig draad met bloed eraan.
Maar geen soepel,
Dun en zijde zacht draad.
Laat staan,
Goud.
Als haar handen niet meer willen stoppen met bloeden,
Kan ze ook haar tranen niet meer tegenhouden.
Hoe had ze het toch gedaan die middag?
Ze weet het niet meer.
De zon had geschenen,
Ze had een lied geneuried en het spinnen was vanzelf gegaan.
Ze had niet eens opgelet.
Haar handen hadden het gewoon gedaan,
Zomaar.
Alsjeblieft handen,
Doe het nog een keer.
Ze schudt haar vingers tot het bloedtrupperspad en veegt over haar neus.
En nu kleeft er overal bloed en snot en stro.
Hoe moet ze de koning zo onder ogen komen morgen?
Als ze dat bedenkt,
Lukt zachtjes huilen ook niet meer.
Ik kan het niet,
Snutje.
Ik kan het echt niet.
Ik kan helemaal niks.
De echo kaatst haar zinnen van pilaar naar pilaar de donkere kelder in.
Niks,
Gaat het.
Niks kun je.
Niks.
Met de echo van niks tikken in de verte opeens voetstapjes mee.
Zacht als muizige trippel.
Ze worden iets luider als ze dichterbij komen.
Er komt iemand aan.
Maak kennis met je leraar
More from Rianne Schoenmakers
Gerelateerde Meditaties
Verwante Leraren
Trusted by 35 million people. It's free.

Get the app
