
Rust in je hoofd #3 - Alleen maar Zijn
Rust in je hoofd wordt eerst lichamelijk ontlokt door een korte relaxatie- of meditatietechniek en vervolgens mentaal door op te gaan in de beleving van een te beluisteren verhaal. In deze aflevering begeleid Insight Timer docent Wilfried Van Craen je via een prachtige natuurervaring van Annie Dillard, voorafgegaan door de ervaring van een prettige plek in je lichaam.
Transcript
Welkom op deze aflevering van Rust in je Hoofd.
Ik zou je willen uitnodigen om dat arme hoofd even tot rust te laten komen door de knop om te draaien en op te gaan in de beleving.
We doen dat op twee manieren,
Een lichamelijke en een mentale.
In beide benateringen staat de inleving centraal,
De flow beleving,
Waardoor denk- en piekerprocessen naar de achtergrond verschuiven.
Bij de lichamelijke manier halen we de beleving op de voorgrond door suggestieve methoden,
Relaxatie technieken of meditatie.
Wat de mentale manier betreft om de beleving op de voorgrond te halen,
Dat doen we door te luisteren naar en vooral op te gaan in een verhaal.
Dit keer doen we dat door ons in te leven in een ervaring van Annie Dillard,
Het stalken van muscusratten.
Maak het je makkelijk en laat je mooie ogen zich sluiten.
Dan zou ik je willen uitnodigen om met die gesloten ogen jouw lichaam even te scannen,
Van je hoofd tot je tenen.
Je gaat gewoon plekje per plekje af.
En je gaat op zoek naar de plek die je het prettigst voelt,
De meest prettige plek in jouw lichaam op dit moment.
En er is altijd een plek die het meest prettig is.
Neem je tijd om je lichaam te scannen op zoek naar die prettige plek.
En als je die plek gevonden hebt,
Dan zou ik je willen vragen om ze zo aandachtig mogelijk te verkennen.
Hoe voelt ze precies?
Is het warmte dat je voelt?
Of een tinteling?
Of gewoon ontspanning?
Of nog een heel andere sensatie?
Wat het ook maar is dat je voelt,
Laat dat gevoel zich verspreiden.
Alsof het een prettige warme olievlek is die zich uitbreidt,
Die uitdijnt naar de periferie toe.
En wees nieuwsgierig hoever dat je dit keer raakt met dat uitdijnen.
En terwijl dat die prettige plek in jouw lichaam zich misschien nog verder uitbreidt,
Kan jij je openstellen voor dat mooie verhaal,
Die indringende ervaring van Annie Dillard wanneer ze muskusratten stalkt.
Op een avond stond toen zo'n 25-jarige Annie Dillard zonder te bewegen in een struik.
Ze tuurde nieuwsgierig en geduldig over haar geliefde plekje,
Tinker Creek.
En toen gebeurde er iets en ging ze aan het stalken.
Ik lees je nu haar helaas voor van wat er zich toen heeft afgespeeld.
Ik was alles vergeten.
Mezelf,
De rivier,
Welke dag het was.
Alles behalve de stille,
Amper kleurige diepte.
Opeens zag ik niets meer.
En toen weer wel.
Een jonge muskusrat was in het water verschenen.
Hij dreef op zijn rug.
Zijn voorpoten rustten loomgekruist op zijn borst.
De avondzon scheen op zijn boven het water uitstekende buik.
Zijn jeugdigheid en knaagdiergrijns in combinatie met zijn malle manier van voortbewegen,
Een landerig klapje met zijn staart en af en toe een duwtje met een bevliezde achterpoot,
Vormden een betoverende verzinnenbeelding van decadentie,
Genotzucht en zomerse loomheid.
Maar in mijn verblufftheid dat het licht zo plots was aangeknipt en mijn bewustzijn gewekt was,
Door een op zijn rug zwemmende muskusrat nog wel,
Maakte ik kennelijk een beweging en verraadde ik mezelf.
Het jong richtte zich op,
Zodat alleen zijn kop boven water uitstak en zwom toen met de stroom mee,
Van me af.
Ik werkte me de struik uit en zette dom als ik was de achtervolging in.
Hij dook soepel onder,
Dook weer op en zette koers naar de andere oever.
Ik waade door de oeverbegroeiing in een poging hem in het zicht te houden.
Hij bleef ongerust achterom kijken,
Mijn kant op.
En hij dook opnieuw,
Onder een drijvend vlechtwerk van takjes dat tegen de kant was blijven steken,
En verdween.
Ik heb hem nooit teruggezien.
Muskusratten.
Dag en nacht ging ik naar ze op zoek.
Soms zag ik ze opeens kringen van de oever uitwaaieren.
Maar als ik dan op mijn hurken ging kijken,
Hebde de kringen weg.
Nu weet ik wat dat betekent en heb ik geleerd doodstil te blijven staan.
Dan zie ik het kleine spitse kopje van de muskusrat verborgen onder de overhangende oeverbegroeiing.
Die nam mij loeren.
Die zomer zwerf ik langs bruggen,
Liep heen en weer langs beekjes,
Maar nooit liet de muskusrat zich zien.
Je moet in de buurt blijven,
Bedacht ik.
En toen zag ik er op een avond weer een en was mijn leven nooit meer als voorheen.
Vanaf toen wist ik dat het er veel waren en ook wanneer ik naar ze moest uitkijken.
Het was bijna donker.
Ik reed na een bezoek aan vrienden naar huis.
Op goed geluk parkeerde ik stiltjes bij het rivier,
Liep de smalle brug over het ondiepe stuk op en keek stroomopwaarts.
Ooit,
Hield ik mezelf al weken voor,
Ooit zwemt een muskusrat dwars door die opening in de lisdodden en dan zie ik hem.
En dat was precies wat er gebeurde.
Ik tuurde naar de opening,
Of ik een muskusrat zag,
En daar kwam hij recht op me af.
Bid en u zal gegeven worden,
Zoekt en gij zult vinden,
Klopt en u zal worden opengedaan.
Hij zwom met een heen en weergaande,
Wrikkende beweging van zijn verticaal afgeplatte staart.
Hij leek me groter dan die ene die ik op zijn rug had zien zwemmen en zijn snuit was rossiger.
Hij had een takje van een tulpenboom in zijn bek.
Eén ding verbaasde me vooral,
Hij zwom midden in de rivier.
Ik had verwacht dat hij zich in de begroeiing langs de kant zou verstoppen,
Maar hij doorkliefde het water even zichtbaar als een watervliegtuig.
Ik kon alleen maar kijken en nog eens kijken.
Het fijne van muskusratten voor mij is dat ze geen scherpe ogen hebben en over de hele linie tamelijk dom zijn.
Als ze weten dat ik er ben,
Zijn ze buitengewoon op hun hoede.
En dan zijn ze me altijd het slim af.
Maar met een beetje vaardigheid en minimaal verlies van waardigheid,
Voor zover ik die heb,
Kan ik er bij zijn en dringt het bewijs van mijn aanwezigheid nooit tot hun smalle schedeltjes door.
En toen ging het zo.
Sinds een week heb ik mijn aandacht verlegd naar een andere plek,
Een van de vele toevoerbeegjes van Tinker Creek.
Het is een weinig meer dan een stroompje tussen diverse poeltjes van ongeveer een meter diep.
Over één van die poeltjes loopt een petit reeuw bruggetje dat in de buurt bekend staat,
Als men het al kent,
Als de Kabouterbrug.
Ongeveer een uur voor zonsondergang zat ik op deze Kabouterbrug.
Ik duurde een kleine drie meter rechts van me,
Waar ik een muscusrattenbrug wist liggen.
Ik had net een sigaret opgestoken toen bij de ingang van de brug luchtbellen omhoog porrelden en een muscusrat opdook.
Hij zwom recht op me af,
Onder de brug door.
Zodra de ogen van een muscusrat onder een brug verdwijnen,
Kom ik in actie.
Ik heb vijf stellen om me om te draaien,
Zodat ik hem in zicht heb als hij aan de andere kant van de brug tevoorschijn komt.
Ik kan mijn hoofd over de rand van de brug steken en,
Als ik wil,
Zijn wimpers stellen terwijl hij onder me doorzwemt.
Deze maneuver heeft één nadeel.
Zodra zijn kraaloogjes aan de andere kant opdoemen,
Kan ik geen kant op.
Als ik ook maar even beweeg,
Is het uit met de pret.
Zolang ik in zijn blikvel ben,
Moet ik doodstil blijven zitten waar ik zit,
In welke malle positie dan ook,
Met als gevolg dat ik overal kramp krijg,
Drukplekken op mijn enkels oploop van de harde brug en mijn vingers brand aan mijn sigaret.
Tegen de tijd dat de muskusrat de oever opklautert om te eten,
Lig ik met mijn hoofd een halve meter boven het water naar rivierkreefjes te staren.
Daarom heb ik geleerd in die vijf stellen vooral een comfortabele houding aan te nemen.
Toen de muskusrat onder de brug verdween,
Ging ik zo ver zitten dat ik op mijn gemak stroomafwaarts kon kijken.
Hij kwam weer tevoorschijn en ik kon hem eens goed opnemen.
Muskusratten hebben een zwarte,
Geschubde staart.
Niet horizontaal plat,
Zoals bij bevers,
Maar verticaal,
Als een op zijn kant gezette leren riem.
Swinters willen hun staart nog wel eens bevriezen en dan bijten ze hem tot vlak bij hun achterlijf af.
Doordat ze dan alleen met hun achterpoten kunnen peddelen,
Hebben ze grote moeite om op koers te blijven.
Deze gebruikte zijn staart als roer en heel af en toe als schroef.
Hij kwam voornamelijk vooruit door te peddelen met zijn achterpoten die hij rechtomlaag liet,
Op zijn tenen,
Zoals wielerrenners fietsen.
Zijn voetzoden waren merkwaardig bleek,
De nagels lang en kegelvormig.
Zijn voorpoten hield hij stil,
Dicht tegen zijn borst.
De muskusrat kloot er de andere oever op en begon te eten.
Hij knaakte een stengel onkruid van een centimeter of 25 af dat hij met zijn voorpoten in zijn bek duwde,
Zoals een timmerman een plank langs een zaag duwt.
Ik kon hem horen kauwen,
Een geluid alsof je een stengel bleekselderij eet.
Met de stengel nog in zijn bek gleed hij weer het water in,
Zwom onder de brug door en ging niet zijn brug weer in maar klom op een grote kei in het water waar hij,
Een kleine anderhalve meter van me af,
Op zijn gemak zijn stengel ophuzelde.
Meteen daarna zwom hij weer onder de brug door,
Heeft zich op de kant en liep naar dezelfde plek om de rest van de plantsoldaat te maken.
Al die tijd maakte ik niet alleen een moeizame pirouette elke keer dat zijn ogen onder de brug verdwenen,
Maar zat ik ook te roken.
Hij had totaal niet door dat de configuratie op de brug elke keer dat hij passeerde veranderde.
Dat hebben veel dieren,
Ze zien alleen iets als het beweegt.
Elke keer als hij de andere kant opkeek,
Kon ik een trekje nemen van mijn sigaret,
Al wist ik natuurlijk nooit wanneer hij zich opeens weer zou omdraaien en me in een onmogelijke positie zou laten verstarren.
Het vervelende was dat mijn geur en die van mijn sigaret zijn kant op dreven.
Deed ik echt al die moeite voor een dier dat zelfs te dom was om het te ruiken?
Na de onkruidstronk te hebben weggewerkt,
Begon de muskatruit nerveus,
Althans zo leek het,
Door het gras te lopen,
Her en der gras en klaver aan de onderkant afhappend.
Al gauw had hij een enorme pluk die aan alle kanten uit zijn bek stak.
Hij duwde zich af van de kant,
Zwom onder het bruggetje door,
Peddele naar zijn brugt en dook onder het water.
Toen hij even later weer boven kwam,
Zo te zien na het gras afgeleverd te hebben,
Deed hij zakelijk en efficiënt het hele rondje nog eens opnieuw na en dook met een grote pluk gras zijn brugt opnieuw weer in.
Weer kwam hij naar buiten.
Toen hij onder de brug doorzwom,
Raakte ik hem even kwijt.
Hij kwam niet tevoorschijn waar ik hem verwachtte.
Opeens doemde hij tot mijn stomme verbazing pal naast mij op,
Op de oever.
De kabouterbrug ligt op gelijke hoogte met de lage oever.
Daar zat ik en daar zat hij,
Vlak naast mij.
Ik had hem,
Zonder mijn arm te strekken,
Kunnen aanraken.
Hij was binnen handbereik.
Bij het fourageren liep hij met bollerug,
Misschien om warmteverlies door verdamping tegen te gaan.
Buiten het water nam hij meestal de gedaante aan van een soort Barbapapa,
Met smalle schouders als een jong poesje.
Hij gebruikte zijn voorpoten om graspollen te scheiden,
Waarbij de lenigheid van zijn smalle polsemen opviel.
Hij verzamelde gras en klaver,
Niet zozeer door het af te knabben als wil door het vlak boven de grond hard af te bijten,
Waarbij hij zijn nekspieren aanspande en zich in rugbewegingen met zijn voorpoten opdrukte.
Hij had een terugwijkende kin,
Zwarte dicht bij elkaar staande glanzende ogen en behaarde puntoortjes.
Ik moet nog eens proberen te zien of hij ze kan spitsen.
Ik kon de door het water gladgestreken lange borstelharen van zijn vacht zien,
Samengekleed in warmbruine plukken die de soepele contouren van zijn lijf accentueerden en de lichtere,
Donziger,
Konijnbondachtige ondervacht lieten zien.
Hoewel hij vlak bij mij zat,
Kon ik zijn tanden of zijn buik niet zien.
Na een paar minuten scharrelen in het gras liet hij zich onder de brug in het water zakken en paddelde,
De pluk gras in zijn bek boven water houdend,
Terug naar zijn brug en dat was het laatste dat ik van hem zag.
In de veertig minuten dat ik hem observeerde,
Heeft hij me niet gezien,
Geroken of gehoord.
Als hij vol in het zicht was,
Bewoog ik me natuurlijk niet,
Alleen om adem te halen.
Mijn ogen bewoog ik ook,
Om zijn blik te volgen,
Maar hij had me niet in de gaten.
Ik heb zelfs een paar keer geslikt.
Niets.
Dat slikken vond ik interessant,
Want ik had gelezen dat je nooit moet slikken als je wilde vogels probeert te temmen.
Want dan is alles van niets geweest.
De vogel denkt dat je slikt omdat je aanstal te maakt om hem op te puzzelen,
En gaat er vandoor.
Maar de muskustrat gaf geen krimp.
Het was heel interessant,
Behalve een keer toen hij tweeëneenhalve meter van me af op de andere oever zat te eten,
Kwam hij overeind,
Heel alert opeens,
Om meteen zijn geknaagd weer te hervatten.
Maar hij heeft nooit geweten dat ik er was.
Zelf heb ik ook nooit geweten dat ik er was.
Die veertig minuten was ik even puur sensitief en verstild als een lichtgevoelige plaat.
Er kwamen indrukken binnen,
Maar er gingen geen afdrukken uit.
Mijn zelfbesef was verdwenen.
Ik heb haast het idee dat als ik beplakt was geweest met de elektroden,
Mijn EEG een volkomen vlakke lijn had vertoond.
Inmiddels heb ik dit zo vaak gedaan dat ik niet meer bewust traag beweeg en stokstijf blijf staan.
Dat is inmiddels mijn tweede natuur geworden.
En daarbij heb ik vaak gemerkt hoe ongelooflijk een paar minuten van dit zelfvergeten je kunnen oppeppen.
Stalken is een pure vorm van vaardigheid,
Te vergelijken met schaken of pitchen.
Geluk komt er zelden bij kijken.
Ik doe het goed of ik doe het verkeerd.
De muscusrat laat me dat weten,
En snel ook.
Meer nog dan honkbal is stalken een spel dat in het hier en nu wordt gespeeld.
Elk moment kan de muscusrat komen,
Of blijven,
Of gaan,
Afhankelijk van mijn vaardigheid,
Kan ik me stilhouden.
Hoe stil?
Het is verbluffend hoe weinig mensen echt stil kunnen zitten,
Of willen zitten.
Binnenshuis lukt me dat nog geen half uur,
Maar bij de rivier vertraag ik.
Ik richt me naar binnen,
Maak me leeg.
Ik voel geen opwinding.
Mijn ademhaling gaat traag en regelmatig.
In mijn gedachten zeg ik niet,
Muscusrat,
Muscusrat,
Daar!
Ik zeg niets.
Als ik een bepaalde houding moet volhouden,
Freeze ik niet.
Als ik verstar,
Mijn spieren op slot zet,
Word ik moe en zwicht ik.
In plaats van te verstijven,
Word ik kalm.
Ik richt me naar binnen,
Vind mijn evenwicht en ontspan.
Ik trek me terug,
Niet in mezelf,
Maar buiten mezelf,
Zodat ik een weefsel van zintuigen word.
Alles wat ik zie is weelde,
Overvloed.
Ik ben het vlies op het vater waar de wind overheen speelt.
Ik ben bloemblaadje,
Veer,
Steen.
Bedankt voor het luisteren.
Ik hoop dat je het een prettige beleving vond.
Maak kennis met je leraar
More from Insight Timer Earth
Gerelateerde Meditaties
Verwante Leraren
Trusted by 35 million people. It's free.

Get the app
